Examenonderwerpen

De les behandelt onderstaande onderdelen uit het examenprogramma:

Consumptie, Consumentengedrag, Basis Geld- en Bankwezen, Budgettering.

De kandidaat kan met het oog op zijn/haar rol van consument:

  • Aan de hand van voorbeelden het belang van geld voor de economie en de huidige vormen van het betalingsverkeer beschrijven:
    • de geldfuncties (ruilmiddel; rekenmiddel; spaarmiddel; oppotmiddel; N.B. Het verschil tussen sparen en oppotten hoeft niet te worden uitgelegd).
    • de courante vormen van betaling.
    • het omgaan met de bankrekening, rood staan en tegoed, berekenen van saldomutaties, telebankieren.
  • Berekeningen maken met vreemd geld, in een voor leerlingen herkenbare situatie met behulp van een gegeven koers (BB vrij).
    • het verkrijgen van vreemd geld in Nederland of in het land van bestemming: geld wisselen bij de bank, pinnen, reischeques, creditcard.
    • berekeningen met vreemd geld (wisselkoersen bij aankoop en verkoop van vreemd geld en transactiekosten).

Verrijkingsstof

  • De meting van inflatie met behulp van de consumentenprijsindex; geen berekening (alleen voor de gemengde en theoretische leerweg).
    • het begrip inflatie in de betekenis van algemene prijsstijging van goederen en diensten.
    • de waardevermindering van het geld als gevolg van prijsstijging.

Daarnaast geeft de les diverse leuke en handige weetjes over geld en betalen.