Vijf voorbeelden

In de loop van de tijd veranderen de prijzen van producten. De meeste prijzen stijgen. Dat noemen we dan inflatie.

Als de prijzen stijgen, heb je steeds meer geld nodig om hetzelfde te kunnen kopen. Anders gezegd: je kan met hetzelfde geld steeds minder kopen.

Af en toe komt het voor dat de gemiddelde prijzen dalen. Dat noemen we dan deflatie.

Vraag

Gebruik de gegevens uit bovenstaande grafieken.
  1. Alle genoemde producten veranderen in de loop van de tijd in prijs. Bereken hoeveel procent de producten in de periode 1996-2006 duurder of goedkoper zijn geworden. Schat de gegevens en zet ze in de onderstaande tabel.

    Voorbeeld: de prijsindex van rijles was in 1996 ongeveer 65 (de hoogte van de grafiek in 1996).

      oude prijs
    (prijsindex)
    nieuwe prijs
    (prijsindex)
    verschil verandering van de
    (oude) prijs in procenten
    Rijles 65 100 35 54%
    Gas
    100
    Computers
    100
    Frisdranken
    100
    Dameskleding
    100
  2. We gaan kijken wat de invloed van deze prijsontwikkelingen is op het bestedingspatroon van een gezin.
    Gebruik de berekeningen uit de vorige tabel.
    Stel: in 1996 geeft een gezin voor de hierboven genoemde producten € 330,- uit.
    1. Bereken wat de familie tien jaar later per product betaalt. Zet het antwoord in de tabel.
    2. Bereken wat de familie tien jaar later totaal betaalt. Zet het antwoord in de tabel.
    3. Bereken het verschil.
    categoriën 1996 toename in % 2006
    Rijles € 50 54% € 77
    Gas € 100
    Computers € 70
    Frisdranken € 10
    Dameskleding € 100
    Totaal € 330